Echte banen tellen

Wederom goed nieuws voor mensen met een arbeidsbeperking: sinds 2013 hebben bedrijven 30.000 extra participatiebanen gecreëerd, 4000 meer dan de tussentijdse doelstelling. Hiermee blijft zicht op het streefcijfer van 100.000 extra banen in 2026. In de rapportage van het ministerie van SZW spreekt staatssecretaris van Ark dan ook over een “mooie prestatie.”

Zo gretig als de media dit nieuws hebben overgenomen, zoveel vragen roept het bij mij op. Dat begint al met de herkomst van het streefcijfer van 100.000 banen. Is dit een ambitieuze doelstelling? Het CBS schat het aantal arbeidsbeperkten tussen de 15 en 65 jaar op circa 1,5 miljoen. 100.000 banen impliceert een toename in de arbeidsdeelname in deze groep van circa 7%-punt. Inclusief de 25.000 extra overheidsbanen die beoogd worden, ligt de toename iets onder de daling in de arbeidsdeelname die plaatsvond in de crisisjaren (SCP, 2016). De banenafspraak maakt dus het gat goed dat destijds is ontstaan. Dat zou ik niet als ambitieus willen bestempelen, zeker niet over een periode van 10 jaar

De herkomst van de banenafspraak kunnen we echter ook koppelen aan het Sociaal Akkoord tussen werkgevers, werknemers en overheid. Destijds is vastgelegd dat reguliere banen het gat moeten dichten dat ontstaat als de Sociale Werkvoorziening grotendeels wegvalt. Maar waarom wordt dan over extra banen gesproken?

Een andere vraag is wat participatiebanen zijn. Aanvankelijk ging het om reguliere banen van arbeidsgehandicapten bij een werkgever voor meer dan 25,5 uur per week. Deze banen zouden maximaal twee jaar mogen meetellen. Later is het kabinet echter ook inleenverbanden en detacheringen mee gaan tellen en is de zogenoemde “T+2” regel afgeschaft. Vooral het loslaten van de eerste voorwaarde is verstrekkend: zonder flexibele banen zou het bedrijfsleven nog maar net boven het tussentijdse streefcijfer zitten.

De portee is dus dat we ons niet moeten blindstaren op de doelstelling van 100.000 banen. Veel belangrijker is de constatering dat nog een lange weg te gaan is om de arbeidsdeelname van arbeidsgehandicapten te verhogen. Hiervoor is een brede bewustwording onder werkgevers over de mogelijkheden om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen onontbeerlijk. Los van welk streefcijfer dan ook is het zaak om dit in gang te zetten.

Pierre Koning is als buitengewoon hoogleraar (uit hoofde van Instituut Gak) verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam en als Universitair Hoofddocent aan de Juridische faculteit van de Universiteit Leiden.

By |2018-08-24T10:18:18+02:0024 augustus 2018|Columns, Nieuws|1 reactie

About the Author:

Deze website gebruikt cookies om ons een beeld te geven van het bezoek van deze website. Ok